In de uiteenzetting van het toetsingskader begint de Hoge Raad met het definiëren van de term ‘overwegende bedenkingen’. De Raad stelt dat hier pas sprake van is bij ‘ernstige gemoedsbezwaren die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing’. 1 Hierbij moet er sprake zijn van voldoende concrete en zwaarwegende bezwaren en moet het betrekking hebben op de richting en dus de fundamentele oriëntatie van het onderwijs. De Hoge Raad besteedt in het vormen van dit kader meerdere overwegingen aan de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
Lees het artikel hier of word abonnee en krijg toegang tot alle artikelen van OnzeJeugd.NU op de kennisbank sociaaldigitaal.nl.

